Knie

Osteotomie van de knie

Een osteotomie stelt de stand van je been bij om je versleten knie te ontlasten. Lees voor wie de ingreep is, hoe ze verloopt en hoe je herstelt.

Inhoud

Osteotomie van de knie

Wat is een osteotomie van de knie?

Een osteotomie van de knie is een operatie waarbij de chirurg de stand van je been bijstelt. Hij zaagt het scheenbeen of het dijbeen gecontroleerd door en zet het in een iets andere hoek. Een plaat en schroeven houden het bot op zijn plaats. Zo verschuift je gewicht van het versleten deel van je knie naar het gezonde deel.

Je knie bestaat uit drie delen: de binnenkant, de buitenkant en het gewricht achter de knieschijf. Bij een recht been loopt je lichaamsgewicht ongeveer door het midden van de knie. Heb je O-benen, dan draagt vooral de binnenkant de last. Bij X-benen is dat de buitenkant. Dat ene deel verslijt daardoor sneller, en zo kan knieartrose ontstaan die zich tot één kant van de knie beperkt.

Illustratie van het skelet van O-benen, rechte benen en X-benen, met de overbelaste binnenkant van de knie bij O-benen en de overbelaste buitenkant bij X-benen

Een osteotomie is een gewrichtssparende ingreep. Je eigen knie blijft volledig behouden: er wordt niets vervangen. Het doel is je pijn te verminderen en het slijtageproces af te remmen, zodat een knieprothese pas later of misschien niet nodig is. In de volksmond heet de ingreep ook wel een kanteloperatie, omdat de chirurg de stand van je been letterlijk een beetje kantelt.

Welke soorten osteotomie bestaan er?

Er zijn drie vormen. Welke de chirurg kiest, hangt af van waar de scheefstand vandaan komt: uit het scheenbeen, uit het dijbeen of uit allebei. Dat zie je op een röntgenfoto van je volledige been, van heup tot enkel.

Illustratie van drie knieën die tonen waar de chirurg het bot doorzaagt bij een hoge tibiale osteotomie, een distale femurosteotomie en een osteotomie op beide niveaus

Hoge tibiale osteotomie (HTO): bijstelling aan het scheenbeen

Bij een hoge tibiale osteotomie corrigeert de chirurg het bovenste deel van je scheenbeen, net onder de knie. Dit is de meest uitgevoerde vorm. Ze wordt vooral gebruikt bij O-benen met slijtage aan de binnenkant van de knie.

In onze praktijk gebeurt een HTO altijd op dezelfde manier. De chirurg zaagt het scheenbeen aan de binnenkant gedeeltelijk door en zet die zaagsnede open als een wig, tot het been in de geplande stand staat. Een plaat en schroeven houden de opening vast.

Distale femurosteotomie (DFO): bijstelling aan het dijbeen

Bij een distale femurosteotomie corrigeert de chirurg het onderste deel van je dijbeen, net boven de knie. In onze praktijk gebeurt dat meestal bij een uitgesproken O-been, vaak samen met een HTO in één operatie. Die combinatie heet een double-level osteotomie (zie verder). De chirurg neemt dan aan de buitenkant van het dijbeen een smalle wig bot weg en sluit de opening. Een plaat en schroeven houden het bot op zijn plaats.

Soms komt een DFO ook in beeld bij een X-been met slijtage aan de buitenkant van de knie. De chirurg bespreekt dan vooraf met je hoe hij de correctie uitvoert.

Let op het verschil in naam. De distale femurosteotomie voor de knie is niet dezelfde ingreep als een femurosteotomie aan de heup. Die laatste is soms nodig bij een ondiepe heupkom.

Double-level osteotomie (DLO): bijstelling aan beide botten

Bij een double-level osteotomie, een osteotomie op twee niveaus, stelt de chirurg zowel het dijbeen als het scheenbeen bij, in één en dezelfde operatie. Dat is nodig bij een uitgesproken scheefstand die uit beide botten komt, meestal een sterk O-been. Aan het dijbeen neemt de chirurg aan de buitenkant een smalle wig weg, aan het scheenbeen zet hij aan de binnenkant een wig open. Zou de chirurg alles op één plek corrigeren, dan komt het kniegewricht zelf schuin te staan. Door de correctie over beide botten te verdelen, blijft het kniegewricht zo horizontaal mogelijk staan. Een DLO is een grotere ingreep met een iets langer herstel.

Röntgenfoto van een knie na een double-level osteotomie, met de schroeven van een plaat op het dijbeen en een plaat op het scheenbeen

Voor wie is een osteotomie geschikt?

Een osteotomie past vooral bij actieve mensen met slijtage aan één kant van de knie, als gevolg van een O- of X-been. Het kraakbeen aan de andere kant moet nog in goede staat zijn, en de knie moet stabiel zijn en goed kunnen bewegen. In onze praktijk zijn de meeste patiënten rond de 45 jaar. Je leeftijd is wel maar één van de factoren die meetellen.

We behandelen op maat. Niet iedereen met een scheef been of slijtage heeft een operatie nodig. Kinesitherapie, gewichtsverlies, aangepaste schoenen of een brace en pijnstilling komen eerst. Een operatie komt meestal ter sprake wanneer je een aantal van deze dingen herkent:

  • Pijn aan de binnenkant of de buitenkant van je knie bij stappen, traplopen of sporten
  • Een O-been of een X-been dat de klachten verklaart
  • Slijtage die op de röntgenfoto beperkt blijft tot één kant van de knie
  • Een niet-operatieve behandeling die onvoldoende helpt
  • De wens om actief te blijven, ook in je werk of je sport

Er zijn ook andere redenen voor een osteotomie. De ingreep beschermt soms een kraakbeenherstel of een herstelde meniscus tegen overbelasting, bijvoorbeeld bij een kraakbeenletsel in de knie of een meniscuswortelscheur. Ook bij een afgestorven stukje bot onder het kraakbeen, zoals bij spontane osteonecrose van de knie, kan een kanteloperatie de druk verlichten. Bij een oud letsel aan de posterolaterale hoek van de knie combineert de chirurg de herstelingreep soms met een osteotomie.

Wanneer is een osteotomie geen goede keuze? Bij slijtage in meerdere delen van de knie levert de ingreep te weinig op. Dat geldt ook bij ernstige slijtage tot op het bot en bij een knie die je niet meer volledig kan strekken. Roken en fors overgewicht vertragen de botgenezing en verhogen het risico op complicaties. Stoppen met roken voor de operatie is daarom sterk aangeraden.

Osteotomie of knieprothese?

Een osteotomie en een knieprothese lossen een ander probleem op. Een osteotomie verandert de stand van je been en spaart je eigen knie. Een prothese vervangt de versleten glijvlakken door kunstonderdelen. Welke ingreep zinvol is, hangt af van je leeftijd, je activiteiten, de stand van je been en hoe uitgebreid de slijtage is.

Bij slijtage aan één kant zonder uitgesproken scheefstand kan een halve knieprothese in aanmerking komen. Bij slijtage in de hele knie is een totale knieprothese meestal de beste oplossing. Een osteotomie sluit een latere prothese niet uit. Ze kan het moment ervan wel jaren uitstellen.

Na een osteotomie kan je de knie op termijn vaak weer zwaarder belasten, ook bij fysiek werk of sport. Hoeveel dat bij jou wordt, bespreekt de chirurg vooraf met je. Daar staat tegenover dat het herstel langer duurt dan bij een halve prothese, omdat het bot moet vastgroeien. De orthopedist weegt samen met jou af wat het beste bij jouw situatie past.

Hoe bereid je je voor op de operatie?

Voor de ingreep doorloop je een raadpleging en enkele onderzoeken. Zo weten we of een osteotomie de juiste keuze is, en berekent de chirurg vooraf hoe groot de correctie moet zijn.

  1. Raadpleging (vraaggesprek). De orthopedist bespreekt waar en wanneer je pijn hebt en welke behandelingen je al kreeg. Ook je werk, je sport, je algemene gezondheid en je medicatie komen aan bod.
  2. Lichamelijk onderzoek. De arts bekijkt de stand van je benen in staande houding en tijdens het stappen. Hij meet hoever je knie plooit en strekt, en controleert de stabiliteit van de banden.
  3. Technische onderzoeken. Een röntgenfoto van de knie in staande houding toont hoeveel kraakbeen er nog over is. Een opname van je volledige been, van heup tot enkel, toont precies hoe je been staat. Op basis van die opname berekent de chirurg vooraf hoeveel graden je been bijgesteld moet worden. Soms is een MRI-scan nodig om het kraakbeen, de menisci en de banden te beoordelen.

Omdat een osteotomie een operatie aan het bot is, controleren we ook je algemene toestand. Dat gebeurt bij je huisarts, en waar nodig bij de anesthesist of je eigen specialist. Je krijgt vooraf te horen welke medicatie je moet stoppen en wanneer je nuchter moet zijn.

Thuis regel je best een aantal zaken vooraf. Je stapt de eerste weken met krukken. Zorg dus voor hulp in huis, haal losse tapijten weg en zet wat je dagelijks nodig hebt op grijphoogte.

Hoe verloopt de operatie?

De chirurg maakt een insnede aan de binnenkant of de buitenkant van je knie, afhankelijk van het bot en de techniek. Hij zaagt het bot gecontroleerd door, zet het been in de geplande stand en zet het vast met een plaat en schroeven. Tijdens de ingreep controleert hij met röntgenbeelden of de stand klopt. Een HTO of DFO duurt ongeveer een tot anderhalf uur, een DLO langer.

Is er een opening in het bot ontstaan, dan vult het lichaam die geleidelijk zelf op met nieuw bot. Soms gebruikt de chirurg daarbij een botvervangend materiaal of een stukje eigen bot.

In sommige gevallen doet de chirurg bij het begin van de operatie een kijkoperatie (artroscopie) om het kraakbeen en de menisci te bekijken.

Je krijgt meestal een algehele verdoving, waarbij je tijdens de operatie slaapt, of een ruggenprik, waarbij enkel je onderlichaam verdoofd wordt. Vaak krijg je er een zenuwblok bij. Dat is een plaatselijke verdoving rond de zenuwen van je been, zodat je de eerste uren na de operatie minder pijn hebt. De anesthesist bespreekt vooraf met jou wat het beste past.

Na de ingreep blijf je meestal één nacht in het ziekenhuis. Je komt snel uit bed, onder begeleiding van de kinesist, en leert veilig stappen met krukken en de trap doen. Je mag naar huis zodra je wonde droog is, je pijn onder controle is en je zelfstandig met krukken kan stappen.

Hoe verloopt het herstel?

Het herstel na een osteotomie draait rond één ding: het bot moet vastgroeien. Dat duurt meestal zes tot twaalf weken. In die periode stap je met krukken en bouw je de belasting op je been geleidelijk op, volgens het schema van je chirurg.

Hoeveel gewicht je de eerste weken op je been mag zetten, hangt af van de vorm van de osteotomie en de techniek. Na een HTO mag je soms al snel steunen op je been, na een DFO of een DLO meestal pas na enkele weken. Je krijgt bij ontslag een duidelijk schema mee. Reken op ongeveer zes weken met krukken.

Je start meteen met kinesitherapie. In de eerste weken werk je vooral aan het plooien en volledig strekken van je knie, en aan de kracht van je bovenbeenspieren. Daarna komen evenwicht, stappen zonder krukken en fietsen erbij. Na ongeveer zes weken maken we een röntgenfoto om te zien of het bot goed vastgroeit.

Zwelling en een warm gevoel rond de knie en het onderbeen zijn normaal en kunnen enkele maanden aanhouden. Koelen na het oefenen en je been af en toe hoog leggen helpen. Om trombose te voorkomen, krijg je een tijd bloedverdunning. Je arts bepaalt welk middel en hoe lang.

Wanneer mag je weer wat?

Elk herstel verloopt anders. Dit zijn richtinggevende termijnen; je arts en je kinesist geven je persoonlijk advies.

  • Douchen: zodra de wonde droog en gesloten is, meestal na ongeveer twee weken
  • Autorijden: doorgaans na zes tot acht weken, en pas wanneer je zonder aarzeling een noodstop kan maken. Werd je linkerbeen geopereerd en rijd je met een automaat, dan kan het soms vroeger
  • Kantoorwerk: vaak na vier tot acht weken
  • Fysiek zwaar werk: reken op drie tot zes maanden
  • Fietsen en zwemmen: fietsen op een hometrainer vaak al na enkele weken, zwemmen zodra de wonde volledig genezen is
  • Sport: lopen en springen meestal pas na vier tot zes maanden, wanneer het bot volledig vastgegroeid is

Na een DLO liggen de termijnen meestal iets later. Het volledige herstel, met een knie die zich weer "gewoon" voelt, kan tot een jaar duren.

Welke complicaties zijn mogelijk?

Zoals bij elke operatie kunnen er complicaties optreden. De meeste komen zelden voor, maar ze zijn nooit helemaal uitgesloten.

  • Een nabloeding of een bloeduitstorting rond de knie
  • Infectie van de wonde of rond de plaat. Een oppervlakkige wondinfectie is doorgaans goed te behandelen. Een diepere infectie vraagt soms een nieuwe ingreep
  • Trombose of een longembool. Daarom krijg je bloedverdunning en begin je snel weer te bewegen
  • Trage of onvolledige botgenezing. Het bot groeit dan trager of niet volledig vast, en soms is een tweede ingreep nodig. Roken verhoogt dat risico duidelijk
  • Een barstje in het bot naast de zaagsnede, tijdens of na de ingreep. Dat vraagt soms een langere periode met krukken
  • Een stijvere knie door littekenweefsel. Lees meer bij arthrofibrose
  • Hinder van de plaat, bijvoorbeeld bij knielen of door druk onder de huid
  • Schade aan bloedvaten of zenuwen rond de knie. Dat is zeldzaam

De risico's van de verdoving bespreekt de anesthesist vooraf met je.

Neem contact op met de dienst bij koorts, of wanneer je wonde rood wordt, gaat lekken of opnieuw pijnlijk wordt. Hetzelfde geldt voor een kuit die dik en pijnlijk wordt. Bij die klachten wacht je niet af. Word je plots kortademig of krijg je pijn in je borst, bel dan 112.

Hoe lang helpt een osteotomie?

Een osteotomie kan een knieprothese bij veel mensen jaren uitstellen. Sommige mensen hebben later geen prothese meer nodig. Uit internationale overzichtsstudies blijkt dat ongeveer zeven tot negen op de tien mensen tien jaar na een HTO nog geen prothese nodig hebben. Dat is een gemiddelde uit grote groepen patiënten, geen voorspelling voor jouw knie.

Hoe lang het resultaat standhoudt, hangt af van je leeftijd, je gewicht, hoeveel slijtage er al was en hoe goed de correctie gelukt is. De slijtage zelf verdwijnt niet, maar ze kan trager gaan. Nemen de klachten op termijn toch weer toe, dan kan een knieprothese alsnog.

De plaat mag in principe blijven zitten. Heb je er last van, dan kan de chirurg ze verwijderen zodra het bot volledig vastgegroeid is, meestal na ongeveer een jaar. Dat is een kleine ingreep, vaak in dagopname.

Wat kan je zelf doen? Blijf bewegen, let op je gewicht en blijf je oefeningen doen, ook als het beter gaat. Sterke bovenbeenspieren nemen werk over van je knie. Rustige, gelijkmatige sporten zoals fietsen, zwemmen en wandelen passen daar goed bij.

Heb je last van pijn aan de binnen- of buitenkant van je knie door een O- of X-been? Maak een afspraak bij Orthopedie Turnhout voor een correcte diagnose en persoonlijk behandeladvies.

Dr. William Colyn, orthopedisch chirurg (knie-unit), Orthopedie Turnhout · RIZIV 1-49509-65-480 · Laatst nagelezen: 21-10-2026

Wat is het?

Bij wie komt het voor?

Wat zijn de symptomen?

Hoe stelt de arts de diagnose?

Wanneer naar een volgende stap?

Behandeling

Prognose

Conclusie

Maak een afspraak

Online

Het is mogelijk om je afspraak online vast te leggen via onderstaande link.

Telefonisch

Maak je je afspraak liever telefonisch? Dan kan je terecht bij ons secretariaat:

Veel gestelde vragen

Wat is het verschil tussen een HTO, een DFO en een DLO?

Het verschil zit in welk bot de chirurg bijstelt. Bij een HTO is dat het scheenbeen, net onder de knie, meestal bij O-benen en slijtage aan de binnenkant. Bij een DFO is het het dijbeen, net boven de knie. In onze praktijk gebeurt een DFO meestal bij een uitgesproken O-been, vaak samen met een HTO als double-level osteotomie. Een DLO combineert beide in één operatie, bij een scheefstand die uit beide botten komt.

Hoe lang duurt het herstel na een osteotomie van de knie?

Het bot heeft meestal zes tot twaalf weken nodig om vast te groeien. In die periode stap je met krukken en bouw je de belasting geleidelijk op. Kantoorwerk lukt vaak na vier tot acht weken, zwaar werk en sport na drie tot zes maanden. Het volledige herstel kan tot een jaar duren.

Is een osteotomie een alternatief voor een knieprothese?

Soms wel. Een osteotomie spaart je eigen knie en past vooral bij actieve mensen met slijtage aan één kant van de knie door een O- of X-been. Bij slijtage in de hele knie is een prothese meestal de betere keuze. Een osteotomie kan een prothese jaren uitstellen, en een prothese blijft later nog mogelijk. Je orthopedist bespreekt met je wat bij jouw knie past.

Moet de plaat na een osteotomie er later weer uit?

Niet noodzakelijk. De plaat mag in principe blijven zitten. Heb je er last van, bijvoorbeeld bij knielen of door druk onder de huid, dan kan de chirurg ze verwijderen zodra het bot volledig vastgegroeid is. Dat is meestal na ongeveer een jaar, met een kleine ingreep.

Kan ik na een osteotomie later nog een knieprothese krijgen?

Ja. Nemen de klachten na jaren toch weer toe, dan kan een knieprothese alsnog. Zit de plaat er nog, dan houdt de chirurg daar bij de planning rekening mee. Je orthopedist bespreekt dan samen met jou wat de beste aanpak is.